EMISSIEARME STALSYSTEMEN IN DE MELKVEEHOUDERIJ

Dit artikel is geplaatst op 23-11-2022

De Raad van State heeft op 7 september van dit jaar een uitspraak gedaan waarbij de natuurvergunning van drie veehouders onderuit is gehaald. In deze uitspraak is de werking van twee emissiearme stalsystemen (A1.13 en A.28) in twijfel getrokken. Nadien is op 12 oktober jl. ook het stalsysteem A.23 onderuit gegaan. In de uitspraken alsmede in het WUR rapport “verbetering van effectiviteit emissiearme stalsystemen in de praktijk”, blijkt dat het toepassen van de emissiearme stalsystemen voor melkvee niet de verwachte reductie behaald als is vastgesteld. Verschillende omstandigheden dienen optimaal te zijn voor het behalen van de beoogde reductie.

Deze uitspraken bemoeilijken de vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming. Daarbij speelt dat in de Wet natuurbescherming niet is vastgelegd dat aan de RAV-lijst getoetst moet worden. De conclusie is dat de RAV-lijst voor de eerder genoemde stalsystemen niet langer gebruikt mag worden bij aanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Maar waar kun je dan nog wel vanuit gaan?

Het verhogen van de emissiefactoren zal ertoe leiden dat er sneller een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming zal ontstaan. Daar waar eerst voldaan kon worden met intern salderen, was er niet direct een vergunningplicht, echter waar dit is toegepast, kan het toch zijn dat het nu wel een vergunningplicht heeft. Vergunningsverlening met deze stalsystemen is dan alleen nog mogelijk via een passende beoordeling. Wat en hoe deze beoordeling uitgevoerd moet worden is nog niet helder. Dit bemoeilijkt de vergunningverlening, dit geldt ook voor de lopende VVGB aanvragen. De provincie Noord-Brabant heeft inmiddels al aangegeven dat zij geen nieuwe aanvragen voor Wnb-vergunningen voor melkveehouderijen meer in behandeling nemen.

Voor de provincie Noord-Brabant komt daarbij nog een probleem. De provincie heeft vastgesteld dat verouderde stalsystemen in 2024 aangepast moet worden. Om dit termijn te behalen had de provincie een streefdatum van 1 april 2023 voor het indienen van de aanvraag. Echter door de onduidelijkheden op dit moment, wordt het de vraag of deze data nog wel haalbaar is. Daarbij heeft de rechtbank Oost-Brabant ook nog gesteld, dat de reductiefactoren van melkvee, niet één op één toegepast mag worden voor jongvee. Terwijl de provincie ook eisen stelt aan de reductie voor jongveestallen.

Desondanks vraagt de provincie Noord-Brabant melkveehouderijen om een aanvraag voor een Wnb vergunning of VVGB in te dienen voor de datum van 1 april. De provincie schort de procedures vervolgens op. De rest van de vergunningsonderdelen (bouw- en milieu) kunnen vervolgens door de gemeente verder behandeld en verleend worden. De RAV-systematiek mag bij deze procedures vooralsnog wel gebruikt worden, aanzien het voor deze vergunningstrajecten de (enige) wettelijke vastgestelde systematiek is. In de praktijk kan deze handelswijze van de provincie leiden tot problemen, er kunnen bijvoorbeeld rekenverschillen ontstaan.

Naar aanleiding van de uitspraken komt, naar verwachting, de Minister voor Natuur en Stikstof eind november met een Kamerbrief over de toestemmingsverlening.

Gedeputeerde staten zal de Routekaart 2024 verder bekijken na kennisneming van deze aangekondigde brief van de minister over toestemmingverlening en actuele ontwikkelingen. Kortom, het is verstandig om met een aanvraag om te voldoen aan de Routekaart 2024 te wachten tot meer duidelijk is over de werkwijze van de provincie, naar aanleiding van de brief van de Minister.

Tot slot wordt in het WUR-rapport de gehele RAV-systematiek op losse schroeven gezet. De WUR concludeert dat systematisch iets mankeert aan de RAV-systematiek. Mocht dit verder opgepakt worden, dan kan deze conclusie gevolgen hebben voor andere sectoren dan de melkveehouderij.